Nachtfotografie

Woord vooraf

Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke tekst voor maandblad Fotografie (oktober 2007). Ik heb alleen een paar foto's weggelaten, aangezien die niet perse iets toevoegen.

    Figuur 1: Een foute automatische witbalans geeft per ongeluk een mooi amberkleurig resultaat. Aangezien de foto in RAW is genomen had ik dit makkelijk kunnen corrigeren, maar het resultaat beviel me wel. Het licht op de achtergrond is strooilicht boven Nijmegen. De witte streep is een ster die tijdens de belichting tov de camera beweegt.
    Nikon D200, 12mm @ f/5, 4 minuten, ISO 100.

Inleiding

Oktober. De herfst en winter naderen, de dagen worden korter. Voor fotografen die van lange schaduwen houden, of graag bij zonsopkomst fotograferen, komt er een mooie tijd aan. Voor de rest is er natuurlijk niets aan: lange, donkere en niet te vergeten koude avonden. Tijdens die lange avonden natuurfoto's maken is geen beginnen aan: je hebt veel te weinig licht, en daarnaast is dat natuurlijk veel te moeilijk, toch?

Of toch niet? Zodra je wat beter begrijpt hoe fotograferen werkt is het maken van een foto bij weinig licht niet moeilijker dan het maken van een andere foto. Het is hooguit wat anders, de verschillen worden hieronder toegelicht.

    Figuur 2: Door het tegenlicht vormen de knotwilgen mooie silhouetten, waardoor ze flink contrasteren met de lichte lucht. Deze foto is een paar minuten na zonsopkomst genomen, waarmee genoeg licht voorhanden was om de foto uit de hand te nemen. Om de compositie te kunnen perfectioneren heb ik toch een statief gebruikt.
    Nikon D200, 12mm @ f/8, 1/50s, ISO 100.

Belichting

Het eerste waarmee je bij weinig licht te maken krijgt is je belichtingstijd (vanaf nu noem ik dit sluitertijd). Waar je overdag gewend bent aan sluitertijden van fracties van seconden, daar heb je het 's nachts al snel over enkele minuten. Hierbij ga je tegen een paar problemen aanlopen. Als eerste: de ondersteuning van je camera. Overdag lukt het meestal wel om een foto uit de hand te nemen, maar met sluitertijden van enkele seconden of zelfs minuten gaat dat niet lukken, je statief zal dus mee moeten.

Het tweede probleem is dat met lange belichtingstijden de batterijen van je camera veel sneller leeglopen. Het is dus verstandig om een extra set batterijen mee te nemen.

Het derde probleem is dat je op de gemiddelde spiegelreflexcamera geen sluitertijden langer dan 30 seconden kunt instellen. Op compactcamera's ligt de limiet vaak nog lager. De oplossing hiervoor is de 'bulb' stand van je camera (zie handleiding). Hiermee blijft de sluiter open staan zolang je de ontspanknop ingedrukt houdt.

    Figuur 3: Door het tegenlicht van de volle maan wordt de mist goed zichtbaar en worden de bomen mooi zwart tegen een lichtere achtergrond.
    Nikon D200, 55mm @ f/5.6, 3 minuten, ISO 100.

Daarmee krijg je gelijk probleem vier: je ontspanknop 1 minuut ingedrukt houden is vragen om camerabeweging. Gelukkig zijn voor de meeste camera's afstandsbedieningen te koop. De 'bulb' stand van je camera werkt dan als volgt: bij infrarood afstandsbedieningen druk je eenmaal om de sluiter te openen en nogmaals om de sluiter te sluiten. Bij eenvoudige draad afstandsbedieningen kun je de ontspanknop meestal vergrendelen en programmeerbare afstandsbedieningen kun je gewoon instellen op de gewenste sluitertijd. Als je geen programmeerbare afstandsbediening hebt, dan kun je de tijd het makkelijkst met een kookwekker bijhouden: je kunt dan lekker rondkijken en genieten van de stilte zonder je met tijd bezig te houden. De onnauwkeurigheid van enkele seconden die je hiermee hebt zijn geen probleem op een sluitertijd van enkele minuten!

    Figuur 4: De dauw tussen de dijken, met de A2 op de achtergrond. Deze foto is een half uur voor zonsopkomst genomen, waardoor redelijk wat licht beschikbaar was.
    Nikon D200, 17mm @ f/16, 1.6s, ISO 100.

Probleem vijf is dat de lichtmeter van je camera niet verder gaat dan die maximale sluitertijd. Hier kun je als volgt omheen werken:

  1. Zet je camera eerst op de hoogste ISO waarde, en zet je diafragma volledig open (= laagste getal). Zelfs bij extreem weinig licht kom je met deze instellingen vaak onder de 30 seconden uit. Als je digitaal werkt, dan kun je nu een testfoto maken om te beoordelen of de lichtmeting goed is gegaan. Op deze testfoto kun je ook je compositie controleren: hierop zie je vaak meer detail dan dat je met je blote oog kunt zien (zie figuur 5)!
  2. Nu moet je je belichtingstijd corrigeren naar de juiste ISO waarde, hiervoor is het handig om te weten dat je het halveren van je ISO waarde moet compenseren met verdubbelen van je sluitertijd. Stel dat je een sluitertijd van 4s had bij ISO 1600, dan wordt dit dus 8s bij ISO 800, 16s bij ISO 400, 32s bij ISO 200 en 64s bij ISO 100. Deze tijd kun je overigens probleemloos afronden naar 1 minuut.
  3. Als je je foto met een andere diafragmawaarde wilt maken, dan moet je de belichtingstijd nog meer aanpassen. Dit is alleen iets lastiger, en hierbij is het handig als je de standaard reeks van diafragmawaarden kent: f/2.8, f/4, f/5.6, f/8, f/11, f/16 en f/22. Elke volgende waarde in deze reeks betekent een halvering van de hoeveelheid licht, hetgeen je moet compenseren met een verdubbeling van je sluitertijd. Stel dat je in stap 1 diafragma f/4 had, en dat je de foto wilt maken met f/11: we hadden al een sluitertijd van 1 minuut (bij f/4), dat wordt dus 2 minuten bij f/5.6, 4 minuten bij f/8 en 8 minuten bij f/11.
  4. Als je digitaal werkt dan ben je nu klaar om je foto te maken. Voor de mensen met film komt er nu nog een probleem om de hoek kijken: het Schwarzschild-effect (of reciprociteitseffect). In het kort: de lichtgevoeligheid van film loopt vanaf bepaalde sluitertijden niet meer lineair, zodat je vanaf bepaalde sluitertijden extra belichtingstijd moet nemen om een correcte belichting te krijgen. Aangezien dit per film verschillend is, is bij de fabrikant van de film een tabel op te vragen met de benodigde correctie bij bepaalde sluitertijden.

    Figuur 5: Een testfoto op ISO 3200, f/2.8 levert een belichtingstijd van 2s. 2s op ISO 3200 wordt 4s op ISO 1600, 8s op ISO 800, 15s op ISO 400, 30s op ISO 200 en tenslotte 60s op ISO 100. Vervolgens wordt 60s op f/2.8: 120s op f/4, 240s op f/5.6 en 480s op f/8. Een groot verschil tussen de twee foto's, naast de aanwezige ruis, is het wateroppervlak: bij de laatste foto is dit door de lange sluitertijd volledig vlak gestreken.
    Nikon D200, 70mm @ f/8, 8 minuten, ISO 100.

Ruis

Zoals je hierboven leest heeft digitale fotografie zeer zeker een voordeel: je kunt de belichting controleren en zo nodig aanpassen en je hebt geen last van het Schwarzschild-effect. Helaas zit er ook een klein nadeel aan, dat zich uit in de vorm van ruis. Ruis in een digitale camera wordt onder andere veroorzaakt door warmte: hoe warmer de sensor wordt, hoe meer ruis deze produceert. Tijdens lange sluitertijden wordt de sensor warm, en dus krijg je meer ruis in je foto. Vervelender is nog dat deze warmte niet gelijkmatig over de sensor toeneemt: andere componenten naast de sensor kunnen bepaalde delen extra verwarmen. De meeste camera's hebben hiervoor een optie: "ruisonderdrukking voor lange belichtingen" die in werking treedt vanaf belichtingen van ongeveer 8s. Het nadeel is: de tijd om de foto te maken verdubbelt ongeveer, het voordeel: het ruispatroon wordt netjes uit de foto gefilterd. Zet deze optie dus aan (zie figuur 6)!


    Figuur 6: Een foto 2x, eenmaal met de optie: "ruisonderdrukking voor lange belichtingstijden" aan en eenmaal uit. Bij de 2e foto zie je duidelijk roze vlekken linksboven in het beeld, blijkbaar zit in de Nikon D70 rechtsonder bij de sensor iets dat warm wordt.
    Nikon D70, 62mm @ f/11, 3 minuten, ISO 200. De 2e foto is door toegenomen duisternis 1/2 stop extra belicht.

Het weer

Buiten het fotograferen zelf is het ook handig om rekening te houden met het weer. Als het koud is en je moet minuten lang bij je camera blijven tijdens de belichting dan wordt 'gewoon' koud al snel serieus koud, en dat beetje wind wordt ijzig koude, snijdende wind. Een regenpak is dan erg comfortabel: naast waterdicht zijn ze namelijk winddicht, hetgeen erg welkom is bij die lange sluitertijden. Ook je batterijen kunnen niet goed tegen kou: die lijken ook eerder leeg te lopen. Gelukkig helpt het om ze in je binnenzak weer op te warmen, dus regelmatig je batterijen omwisselen (en de ongebruikte in je binnenzak bewaren) is het advies.

    Figuur 7: Het gele natriumlicht op de bomen in contrast met de blauwe hemel levert een probleem op voor de witbalans in de foto: goede witbalans op de bomen geeft paarse lucht en goede witbalans op de lucht geeft erg geel/groene bomen. Ik kies voor de eerste optie, deze geeft een geheimzinnige sfeer aan de foto.
    Nikon D200, 22mm @ f/5.6, 9 minuten, f/5.6, ISO 100.

Ten slotte

Warm aangekleed, volle batterijen in je jas en nu? Ga in eerste instantie eens terug naar een locatie waar je vaker geweest bent, en ga vanuit daar verder. Lukt het de eerste avond niet, kijk dan thuis eens goed naar het resultaat en probeer te leren van je fouten. Zoals alle nieuwe dingen geldt ook hier dat het de eerste keer niet meteen goed zal gaan. Als je na avondenlang door de duisternis zwerven ineens begint te begrijpen wat vissers in hun sport zien, dan weet je zeker dat deze vorm van fotografie voor jou is weggelegd!

    Figuur 8: Volle maan in de mist. Om het enorme contrastverschil tussen de maan en de voorgrond te verminderen heb ik een 2 stops verlopend grijsfilter gebruikt: de lucht wordt 2 stops donkerder gemaakt terwijl de voorgrond niet beƔnvloed wordt. Hierdoor is alleen de maan zelf uitgebeten, anders was de lucht eromheen ook verloren geweest.
    Nikon D200, 14mm @ f/4, 2 minuten, ISO 100.


(c) 2017 Freddy Hurkmans, laatste wijziging: 2017-01-10 10:30:13
Freddy Hurkmans beginpagina leren over fotografie: fotografie artikels door Freddy Hurkmans handboek fotografie door Freddy Hurkmans